![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Bouw van het oogLicht
komt het oog binnen, gaat door het hoornvlies en de voorste oogkamer.
Door de pupil wordt de hoeveelheid licht geregeld die het oog binnen
komt, bij veel licht wordt de pupil kleiner en bij weinig licht wordt
hij groter, daarna gaat het licht door de ooglens heen. Wat is staar?Voor in het oog, vlak achter de pupil, zit de heldere en doorzichtige ooglens. Naarmate we ouder worden, wordt deze lens minder helder. Daardoor lijken de dingen die we zien waziger en grauwer van kleur. Dit troebel worden van de ooglens wordt 'staar' of 'cataract' genoemd. Iedereen die ouder wordt, krijgt daarmee te maken. Maar niet iedereen heeft er echt last van. Er zijn verschillende vormen van staar: 1.
aangeboren staar Over deze laatste vorm ‘ouderdomsstaar’ gaat onderstaande tekst.. Ouderdomsstaar
is een 'normaal' verouderingsproces, net als het krijgen van rimpels.
Sommige mensen merken al rond hun veertigste dat hun ooglens troebel
wordt. Meestal doen de eerste verschijnselen van ouderdomsstaar zich
echter pas later voor. Of u het merkt, hangt ervan af op welke plek
in de ooglens de troebeling zich ontwikkelt en hoe groot die troebeling
is. Zit de troebele plek in het midden van de lens of daar vlakbij,
dan krijgt u al snel klachten. U gaat bijvoorbeeld wazig zien, dubbelzien,
u ziet kleuren doffer of u krijgt last van licht of schitteringen. Als
u binnen korte tijd opeens veel sterkere brillenglazen nodig heeft,
kan dat ook wijzen op ouderdomsstaar. Sterkere brillenglazen kunnen
het zicht op den duur niet meer verbeteren. Doorgaans neemt de staar
in de loop van de tijd toe. Het gezichtsvermogen wordt daarmee steeds
slechter. Onderzoek Om erachter te komen of er inderdaad sprake is van ouderdomsstaar, bekijkt de oogarts uw ogen met de spleetlamp. Deze lamp geeft een smalle bundel licht, waarmee de oogarts het voorste deel van het oog kan bekijken. Daar bevindt zich de ooglens. De oogarts kan met het licht zien of er troebelingen zijn in de ooglens en zo ja, hoe ver die staar zich al heeft ontwikkeld. Daarnaast onderzoekt de oogarts hoeveel u nog kunt zien en of uw ogen verder gezond zijn. Wanneer behandelen? Wie nog goed genoeg ziet om zonder problemen het dagelijkse werk en hobby's te kunnen doen, hoeft zich (nog) niet te laten behandelen. Een operatie is dan niet direct noodzakelijk. Het is echter wel realistisch om rekening te houden met een staaroperatie in de toekomst. Staar wordt immers nooit minder; het gezichtsvermogen gaat langzaam maar zeker toch achteruit. Is (beginnende) staar eenmaal ontdekt, dan is controle nodig indien de klachten erger worden. Zodra de staar te hinderlijk wordt, kan uw gezichtsvermogen weer worden hersteld met een staaroperatie. Wanneer dit moet gebeuren, kunt u in principe zelf bepalen, maar wel in overleg met uw oogarts. Behandeling Ouderdomsstaar is goed te behandelen. Een staaroperatie kan het gezichtsvermogen vrijwel volledig herstellen. Bij deze operatie haalt de oogarts de troebele lens uit het oog en vervangt deze door een kunstlensje. De oogarts opereert altijd maar één oog per operatie. Zo kunt u kort na de operatie alles weer doen, omdat u nog voldoende zicht heeft door uw niet-geopereerde oog. Staaroperaties worden heel regelmatig uitgevoerd. In principe is het risico van complicaties gering maar een bloeding, infectie of netvliesprobleem kan optreden. Ook lukt het soms niet alle lensresten te verwijderen bij de operatie. Bij een deel van de patiënten kan zogenaamde na- staar optreden, waarbij een geringe troebeling ontstaat die met een laserbehandeling te behandelen is. Ook op zeer hoge leeftijd is de operatie nog goed te ondergaan. Overigens is opereren de enige manier om echt iets te doen aan ouderdomsstaar. Er bestaan geen medicijnen tegen staar.
Wat is nastaar?Bij een staaroperatie wordt de troebele lenskern uit het oog verwijderd en een nieuw lensje van kunststof in het oog geplaatst. Deze nieuwe lens moet goed op zijn plaats worden gehouden achter de pupil van het oog. Om deze reden wordt bij een staaroperatie meestal niet de gehele lens verwijderd, maar wordt een groot deel van de lenskapsel zorgvuldig gespaard. In dit achterblijvende deel van de kapsel wordt het nieuwe kunstlensje geplaatst. Over
het oppervlak van de lenskapsel kunnen soms langzaam weer nieuwe lensvezels
uitgroeien die een vertroebeling direct achter het kunstlensje tot gevolg
heeft.
Onderstaand
vindt u het aantal soorten ogen
|
fig.1:
Emmetroop oog beeld op netvlies |
fig.2:
Bijziend oog beeld voor het netvlies |
fig.3:
Verziend oog beeld achter het netvlies |
![]() |
![]() |
![]() |
Geen
bril nodig |
Bril
met min sterkte |
Bril
met plus sterkte |
Het
hoornvlies van een oog met astigmatisme (cylinder) heeft een onregelmatige
kromming, zodat invallende lichtstralen op asymmetrische wijze worden
gebroken en dus geen scherp beeld op het netvlies vormen. Astigmatisme,
afzonderlijk of in combinatie met hyperopie of myopie, is meestal aangeboren
en verandert weinig gedurende het leven.
In een normaal oog is de kromming van het hoornvlies rond zoals een
voetbal. In het astigmate oog is de kromming van het hoornvlies ovaal
zoals die van een rugbybal.
Presbyopie of "last met lezen" komt te voorschijn wanneer het focussen van de ooglens afneemt. Dit is een normaal verouderingsverschijnsel en komt voor vanaf 45 jaar.
Inleiding
Ten gevolge van suikerziekte (diabetes mellitus) kunnen er beschadigingen optreden binnen in het oog. Zonder dat al direct het zien wordt aangetast kunnen er toch afwijkingen aanwezig zijn in het netvlies. Men noemt dit diabetische retinopathie. Wanneer deze schadelijke afwijkingen niet tijdig worden onderkend en behandeld kan blindheid het gevolg zijn.
Diabetische retinopathie
Diabetische retinopathie is een complicatie van suikerziekte waarbij er veranderingen optreden in de bloedvaten van het netvlies. Deze veranderingen kunnen zich voordoen in twee vormen. De wand van de kleine bloedvaten is veranderd. Daardoor kan lekkage van vocht en bloed optreden (exsudatieve retinopathie). Daaropvolgend kan bloedvatnieuwvorming optreden (proliferatieve retinopathie). Deze nieuwe bloedvaatjes zijn erg broos en kunnen gemakkelijk bloedingen in het glasvocht binnen in het oog veroorzaken.
Controle
Het
risico van het krijgen van een retinopathie neemt toe met de tijd dat
de suikerziekte bestaat.
Omdat het mogelijk is al geruime tijd aan suikerziekte te lijden zonder
dat men daar iets van heeft gemerkt is het verstandig ook de ogen te
laten controleren zodra er suikerziekte is vastgesteld. Het algemene
advies luidt deze controle na 1 tot 2 jaar te herhalen ook als u geen
oogklachten heeft. Er kunnen afwijkingen optreden in de ogen die (nog)
geen klachten geven maar wel behandeld moeten worden om verdere beschadiging
te stoppen.
Onderzoek
Bij
het onderzoek door de oogarts wordt de pupil met druppels verwijd, zodat
het netvlies goed kan worden
bekeken. Deze druppels maken het zien tijdelijk minder. Als er afwijkingen
worden gevonden, kan het noodzakelijk zijn foto's te maken met contrastvloeistof
(fluorescentieangiografie). Hierbij wordt een kleurstof in de arm gespoten.
Soms kan men hier wat misselijk van worden. Met behulp van dit onderzoek
kan de oogarts de mate en de ernst van de afwijking beter beoordelen.
Behandeling
Wanneer er afwijkingen in het netvlies worden vastgesteld, kan een laserbehandeling in een groot aantal gevallen een verder achteruitgaan van het zien stoppen of vertragen.
Laserbehandeling
Met laserbehandeling is het mogelijk bijzondere lichtstralen op het netvlies te richten. In geval van exsudatieve diabetische retinopathie is het mogelijk de lekkende bloedvaten dicht te lassen. Deze behandeling duurt in het algemeen ongeveer tien minuten. Wanneer er echter nieuwe bloedvaatjes zijn gevormd (proliferatieve diabetische retinopathie) moet vrijwel het gehele netvlies met laserstralen worden behandeld. Deze behandeling is veel uitgebreider dan de eerstgenoemde en zal vaak in meerdere keren plaatsvinden. De voorbereiding op de laserbehandeling bestaat uit oogdruppels om de pupil te verwijden en druppels om het oog te verdoven.Indien het gaat om een uitgebreide behandeling, kan ook een injectie bij het oog gegeven worden voor een plaatselijke verdoving.
Andere behandelingen
Als
er een bloeding in de glasvochtruimte ontstaat kan soms een behandeling
met koude (cryotherapie) helpen om de abnormale bloedvaten, die de bloeding
hebben veroorzaakt, te doen verdwijnen.
Als de bloeding hiermee niet voldoende opheldert, kan een vitrectomie
worden uitgevoerd. Dit is een operatie, waarbij het glasvocht wordt
verwijderd. Naar bevind van zaken kan tijdens de operatie het netvlies
ook nog met laserstralen worden behandeld.
Conclusie
Helaas geeft suikerziekte nogal eens problemen met het zien. Door de steeds betere onderzoeks- en behandelingstechnieken is het tegenwoordig vaak mogelijk de retinopathie tot staan te brengen. In veel gevallen is het daardoor mogelijk blindheid te voorkomen. Laat daarom bij suikerziekte uw ogen regelmatig onderzoeken!
Tot slot
In
dit artikel is in het kort weergegeven wat er aan de hand is wanneer
er sprake is van diabetische retinopathie. Ook wordt aangegeven wat
er aan gedaan kan worden. Verdere vragen kunt u het best aan uw eigen
oogarts stellen.
Dit artikel is tot stand gekomen door de commissie patiëntenvoorlichting
N.O.G. 2005
Sommige mensen produceren niet genoeg traanvocht of traanvocht van een slechte kwaliteit om hun ogen goed vochtig te houden. Het gevolg is dat de ogen gaan branden en steken of slijm gaan afscheiden. Soms leidt dit weer tot een teveel aan tranen. Deze zijn echter niet van een goede samenstelling zodat er geen goede laag tranen op het oog ontstaat en het oog kwetsbaar wordt voor uitdroging.
Wat is een traanfilm?
Traanvocht heeft als belangrijkste functie het oog vochtig te houden Bij elke knipperslag, wordt het traanvocht in een dun laagje gelijkmatig verdeeld over het oog. Dit dunne laagje noemt men de "traanfilm" en het dient om het oog glad te houden en te beschermen tegen de buitenlucht. Deze traanfilm is samengesteld uit drie bestanddelen: een olieachtige laag, een waterige laag en een slijmachtige laag. Het olieachtige buitenste laagje van de traanfilm wordt geproduceerd door kleine kliertjes in de oogleden, de kliertjes van Meibom. De functie is te voorkomen dat het traanvocht te snel verdampt. Het waterige middelste laagje wordt geproduceerd door de traanklier die ligt in de oogkas boven de buitenste ooghoek. Deze waterige laag heeft tot taak het oog schoon te wassen van vuil en stof. De slijmachtige binnenste laag van de traanfilm komt uit kleine kliertjes in het bindvlies van het oog en moet ervoor zorgen dat de waterige laag zich gelijkmatig over het oog verdeelt en zich er goed aan vasthecht.
Wat zijn de oorzaken van droge ogen?
Men praat over droge ogen als de traanproduktie in hoeveelheid of samenstelling niet voldoende is om de beschermtaak voor het oog te kunnen vervullen. Droge ogen kunnen vele oorzaken hebben. Er is onderzoek door de oogarts nodig om vast te stellen om welke oorzaak het gaat. Bepaalde ziekten gaan gepaard met droge ogen, zoals de ziekte van Sjögren. Soms ook komt het voor als bijwerking van bepaalde geneesmiddelen. Het kan ook zo zijn dat een van de lagen in de traanfilm ontbreekt door afwijkingen in de oogleden of in het bindvlies. Andere oorzaken zijn te weinig of slechte knipperbewegingen, zodat de traanfilm niet gelijkmatig over het oog wordt verdeeld. Door middel van een onderzoek bij de oogarts kan in de meeste gevallen de oorzaak van droge ogen op gespoord worden en de juiste behandeling worden gegeven.
Behandeling.
Behandeling is meestal niet eenvoudig, omdat het lang niet altijd lukt de oorzaak van de droge ogen weg te nemen. Als het probleem wordt veroorzaakt door een ontsteking van de oogleden dan wordt deze eerst behandeld. Indien de traanklier of het bindvlies van het oog door een ziekte onherstelbaar beschadigd is, dan is het van belang te proberen de irritatie zoveel mogelijk te verminderen.
Dit kan men doen door ofwel kunstmatig traanvocht toe te voegen ofwel door het aanwezige traanvocht zo lang mogelijk vast te houden. Het eerste doet men met behulp van "kunsttranen" of een gel die een aanvulling vormen op de eigen tranen.
Het zo lang mogelijk vasthouden van het aanwezige traanvocht kan op verschillende manieren gebeuren. Men kan een speciale beschermende bril dragen om de verdamping tegen te gaan. Ook kan het traanafvoerkanaaltje tijdelijk of permanent worden dichtgemaakt.
Wat kunt u zelf doen?
Als
u heeft gemerkt dat u onder bepaalde omstandigheden méér
klachten heeft, probeer dan deze omstandigheden te veranderen. U kunt
voorkomen dat het traanvocht te snel verdampt door de luchtvochtigheid
in huis te verbeteren. Dit kunt u doen met behulp van waterbakken aan
de verwarming of door de aanschaf van een luchtbevochtiger. Buiten kan
een speciale (fiets)bril die aan de zijkanten is afgesloten er voor
zorgen dat de ogen door de wind niet te veel uitdrogen. Vermijd zaken
die extra droogte of irritatie geven, zoals een haarföhn, een ventilator
of rook. Ook het dragen van contactlenzen kan bij droge ogen grote problemen
geven. Regelmatig oogdruppels gebruiken, volgens de aanwijzingen van
de oogarts en de ogen laten controleren door de oogarts kan complicaties
voorkomen. Sommige mensen slapen met hun ogen half open en het is van
belang dit te melden aan de oogarts die u onderzoekt voor uw klacht.
Tot slot
Ditartikel geeft in het kort aan, wat er aan de hand kan zijn wanneer u last heeft van droge ogen. Verdere vragen kunt u het best stellen aan uw eigen oogarts.
Dit artikel is tot stand gekomen door de commissie Patiëntenvoorlichting N.O.G. 2004
Wat
is conjunctivitis?
Conjunctivitis is de medische term voor ontstoken slijmvlies van de
ogen. Het is de meest voorkomende oorzaak van een rood oog. Het oogwit
wordt bedekt door slijmvlies (conjunctiva) en dit bevat heel dunne bloedvaatjes.
Bij irritatie zetten deze vaatjes op, waardoor het oog rood wordt.
Oorzaken
De meest voorkomende oorzaak is een virus of een bacterie. Ook een allergie,
het "droge ogen" syndroom of irriterende stoffen in de omgeving
kunnen een rood oog veroorzaken.
Verschijnselen
Een bacteriële conjunctivitis geeft een geelgroene afscheiding
(pus). De meeste virale infecties van de conjunctiva veroorzaken een
slijmvorming en waterige afscheiding. Virussen zijn in het algemeen
de oorzaak van het bekende "rode oog", gepaard gaande met
een rauwe keel en loopneus, net als bij een verkoudheid of griep; deze
verschijnselen duren 1-2 weken. De allergische conjunctivitis geeft
vaak jeuk en waterige afscheiding en wisselend matige tot hevige roodheid.
Het "droge ogen" syndroom geeft pijnlijke, rode slijmvliezen
soms met lichtschuwheid en door de irritatie juist heftige tranenvloed.
Irriterende stoffen geven voornamelijk sterke, waterige, afscheiding
en eventueel daarna een rood oog.
Diagnose
Door onderzoek kan de oogarts of de huisarts onderscheid maken tussen
de verschillende vormen. Soms kan het ook nodig zijn een "kweek"
te maken van de afscheiding uit het oog. Hiervoor wordt heel voorzichtig
met een klein wattenstaafje langs het oogslijmvlies gestreken. Op deze
manier kan worden vastgesteld welke bacterie of virus bestreden moet
worden.
Behandeling
Bij een bacteriële conjunctivitis wordt een antibioticum gegeven.
Dit kan in de vorm van druppels, zalf of een gel. Bij een virale conjunctivitis
hebben antibiotica geen effect. Soms is het nodig met ontstekingsremmende
medicijnen te druppelen. Allergische conjunctivitis kan worden behandeld
met speciale druppels die tegen een allergie in het oog gericht zijn.
Het "droge ogen" syndroom kan soms worden behandeld met kunsttranen.
Er zijn vele soorten druppels, zalven en gels in de handel die de verschijnselen
van droge ogen helpen verzachten (zie voor verdere informatie "droge
ogen". Voor rode ogen door irriterende stoffen zijn verschillende
behandelingen nodig, afhankelijk van de soort irriterende stof.
Preventie
De bacteriële en virale vormen van conjunctivitis zijn besmettelijk.
Het is daarom aan te bevelen de handen goed te wassen na contact met
de patiënt en geen handdoeken of zakdoeken over en weer te gebruiken.
Terug naar boven
De
Nederlandse term voor nystagmus is wiebel- of trilogen. Met de term
nystagmus worden onwillekeurige ritmische bewegingen van de oogbollen
aangeduid. 
Onwillekeurig
betekent dat de bewegingen buiten de wil om ontstaan en ook niet
direct door de patiënt kunnen worden beïnvloed.
Ritmisch
wil zeggen dat de bewegingen een bepaald patroon vertonen met
een vrij vaste snelheid en richting.
Naar
zijn vorm is nystagmus te verdelen in een "pendelnystagmus"
waarbij de ogen heen en weer slingeren als de slinger van een klok,
en een "ruknystagmus"" of "zaagtandnystagmus"
waarbij de snelheid van bewegen in de ene richting verschilt van die
in de andere richting: de ogen drijven als het ware langzaam af en worden
met een snelle rukbeweging weer terug gehaald. In de slaap en onder
narcose verdwijnt de nystagmus.
Terug naar boven
Uiteindelijk
komt het licht terecht op het netvlies.
In het netvlies zitten staafjes en kegeltjes: dit zijn de cellen die
de lichtprikkel omzetten in een elektrische prikkel.
Deze
prikkels worden via de oogzenuw naar de hersenen geleid en daar omgezet
in een beeld.
Wanneer u het oog zou vergelijken met een fototoestel, dan vormen het
hoornvlies en de lens het lenzenstelsel van de camera.
Het regenboogvlies (iris) is te vergelijken met de sluiteropening (het diafragma) en het netvlies zou de film zijn.
Een netvliesloslating (ablatio retinae) komt jaarlijks ongeveer bij 1 op de 10.000 mensen voor.
Het kan op elke leeftijd optreden, maar bij ouderen is het risico groter.
Bijzienden
of mensen met netvliesloslating in de familie lopen meer risico. Ook
na een staaroperatie is het risico toegenomen. Wanneer een netvliesloslating
niet wordt behandeld kan het leiden tot slecht zien of blindheid.
Terug naar boven
Het
licht en het oog
Zichtbaar
licht bestaat uit de golflengten van 360 tot 780 nm. Elke golflengte
heeft een bepaalde kleur. Daglicht is een mengsel van alle golflengten.
Deze verschillende golflengten (en kleuren) worden zichtbaar gemaakt
als het daglicht wordt opgesplitst door bijvoorbeeld een prisma. Er
ontstaat dan een spectrum, reikend van het langgolvige rood (670 nm)
via oranje, geel, groen, blauw naar het kortgolvige violet (420 nm).
Ook een regenboog ontstaat door breking van het licht in vochtige lucht.
Het menselijke oog kan ongeveer 160 kleurmengels waarnemen, samengesteld
uit de 3 primaire kleuren: blauw, groen en rood.
In het centrum van het netvlies bevinden zich kegeltjes die de beelden opvangen. Er zijn 3 soorten kegeltjes, ieder met een eigen spectrale gevoeligheid: blauw, groen en rood. Een bepaalde kleur, die het oog "ziet", wordt ontleed in componenten die ieder van deze 3 kegeltjes kan verwerken. In de hersenen wordt deze informatie weer samengesteld tot een gewaarwording van de gegeven kleur. Gelijktijdige stimulatie van alle 3 soorten kegeltjes leidt tot de waarneming van "wit". Bij bepaalde kleurenzienstoornissen ontbreekt een of meer van de 3 pigmenten (kegeltjes).
Vormen
van kleurenblindheid
Kleurenzienstoornissen kunnen onderverdeeld worden in a) aangeboren
of b) verworven (op latere leeftijd ontstane) kleurenzienstoornissen.
De aangeboren vorm is vanaf de geboorte aanwezig en is vrijwel altijd
een "rood-groen" stoornis. De verworven vorm ontstaat later
door bijvoorbeeld een oogzenuw- of netvlies-aandoening en is vaker een
"blauw-geel" stoornis.
Aangeboren
kleurenzienstoornissen
Een
persoon met normaal kleurenzien is in staat alle kleuren te onderscheiden
vanuit de 3 primaire kleuren met behulp van de 3 soorten kegeltjes van
het netvlies. Het normale zien heet daarom trichromasie (3 kleurenzien).
Als de gevoeligheid van één van de kleuren afwezig is,
spreekt men van dichromasie (2 kleurenzien) en als die voor 2 kleuren
ontbreekt, spreekt men van monochromasie (1 kleurenzien). De aangeboren
kleurzienstoornis komt voor bij 8% van de mannen en 0.5% van de vrouwen.
Indeling van aangeboren kleurenzienstoornissen
Trichromasie
(3 kleurenzien)
Een
gezond persoon kan alle 3 de kleuren even goed waarnemen. Dit is de
normale situatie en wordt de "normale trichromaat' genoemd. Soms
is een persoon weliswaar een trichromaat (kan alle kleuren waarnemen),
maar is de gevoeligheid van bepaalde kegeltjes verminderd. Dit wordt
een "anomale trichromasie", ofwel een verzwakt kleurenzien
genoemd. Men heeft dan bijvoorbeeld meer rood nodig dan normaal (verminderde
gevoeligheid voor rood ofwel protanomalie genoemd) of meer groen nodig
dan normaal (verminderde gevoeligheid voor groen, ofwel deuteranomalie
genoemd) of meer blauw nodig dan normaal (verminderde gevoeligheid voor
blauw waarbij de kleuren blauw en groen worden verwisseld, ofwel tritanomalie
genoemd).

Trichromaat
- normaal kleurenzien
Dichromasie (2 kleurenzien)
Bij
dichromaten (2 kleurenzien) kan men ook een onderverdeling maken in
het ontbreken van rode kegeltjes (protanopen of "rood-blindheid"),
groene kegeltjes (deuteranopen of "groen-blindheid" genoemd)
of blauwe kegeltjes (tritanopen of "blauwgeel-blindheid" genoemd).

Protanopen of "rood-blindheid"
Deuteranopen of "groen-blindheid"
Tritanopen of "blauwgeel-blindheid"
Monochromasie (1 kleurenzien)
Bij
monochromaten is er géén of slechts 1 type kegeltje aanwezig.
Blindheid voor alle kleuren is extreem zeldzaam (staafjes monochromaat
genoemd). Deze echte kleurenblinde heeft dus helemaal geen kegeltjes
en ziet alleen maar in zwart-wit en grijstinten, zoals we vroeger op
een zwart-wit TV zagen. Een echte kleurenblinde ziet ook veel minder
goed bij daglicht en is lichtschuw, omdat hij evenals een nachtdier
alleen met de staafjes kijkt.
Staafjes
monochromaat
Verworven
kleurenzienstoornissen
Deze
vorm van kleurenzienstoornis komt minder vaak voor: de kleuren worden
anders of minder intens waargenomen. Het kan soms voorkomen bij:
- specifieke netvlies-aandoeningen, bv. de "cone [kegeltjes] dystrofie" of "cone-rod [kegeltjes-staafjes] dystrofie.
- bepaalde oogzenuwafwijkingen, zoals neuritis optica
- bepaalde medicijnen, zoals chloroquine of hydroxychloroquine (plaquenil, bij hoge dosis)
Klachten
Vrijwel
alle mensen met stoornissen in het kleurenzien hebben een normale gezichtsscherpte
en zijn niet lichtschuw. Zij kunnen alleen bepaalde kleuren (meestal
rood en groen) niet goed van elkaar onderscheiden. Het komt veel voor,
ongeveer bij 8% van de mannen en 0.5% van de vrouwen in Nederland. Van
deze 8,5% heeft 6% een "anomale trichromasie" (d.w.z. men
kan alle 3 kleuren wel zien, maar er is een kleurenzien-zwakte) en 2%
heeft een dichromasie (d.w.z. er ontbreekt 1 van de primaire kleuren).
Monochromasie (1 kleurenzien)

Bij monochromaten
is er géén of slechts 1 type kegeltje aanwezig. Blindheid
voor alle kleuren is extreem zeldzaam (staafjes monochromaat genoemd).
Deze echte kleurenblinde heeft dus helemaal geen kegeltjes en ziet alleen
maar in zwart-wit en grijstinten, zoals we vroeger op een zwart-wit
TV zagen. Een echte kleurenblinde ziet ook veel minder goed bij daglicht
en is lichtschuw, omdat hij evenals een nachtdier alleen met de staafjes
kijkt.
Protanopen of "rood-blindheid"
Deuteranopen of "groen-blindheid"
Tritanopen of "blauwgeel-blindheid"
Zij zien bijvoorbeeld niet goed het verschil tussen rijpe rode aardbeien
en onrijpe groene aardbeien. Meestal gaat het om een schakelfout van
de kegeltjes die aangeboren is en gedurende het leven niet verandert.
Net als mensen met een normaal kleurenzien kunnen deze personen, afhankelijk
van training, kleuren wel benoemen, maar zij zullen eerder kleuren verwisselen
die door normalen niet verwisseld worden. Een monochromaat komt uitermate
zelden voor. De mate van gestoord kleurenzien zal in de loop van het
leven niet veranderen. Kleurenblindheid is niet te behandelen of te
verhelpen.
De afwijking is meestal geslachtsgebonden erfelijk, zodat kinderen het van opa via de moeder kunnen overerven. Vrouwen kunnen wel draagster zijn. Dat wil zeggen dat ze zelf normaal kleuren onderscheiden, maar de stoornis wel kunnen doorgeven aan hun zonen. Voor sommige beroepen, zoals piloot, schipper en treinmachinist is het goed kleuren kunnen zien een vereiste.

![]()
De
traanklier, gelegen onder het bovenooglid, reagee
rt
bij emotie of
oogirritatie en produceert dan meer traanvocht.
De ene persoon traant veel makkelijker dan de andere.
De
geproduceerde tranen worden afgevoerd door de 2 traanpunten.
Het traanvocht wordt als het ware door de oogleden hier ingepompt.
Van
de traanpunt gaan de tranen via een klein kanaaltje naar de traanzak
en daarna via het neustraankanaal naar de neus.(dit verklaart waarom
men moet snuiten na huilen!).
Naast
het “smeren” hebben de tranen een afweerfunctie en ook voeren
ze viezigheid af.
Bij
een verstopt systeem gaat dit niet en kunnen ziektekiemen
een ontsteking veroorzaken.
Terug naar boven
Inleiding
Om scherp te zien is het nodig dat lichtstralen uit de buitenwereld
precies op het netvlies van het oog samenvallen. Bij het normale oog
zorgen het hoornvlies en de lens in het oog ervoor dat bij zien in de
verte op het netvlies een helder beeld ontstaat. Scherp stellen voor
dichtbij gebeurt door het instellen van de ooglens. Wanneer de sterkte
van hoornvlies en ooglens niet goed in verhouding staan tot de lengte
van de oogbol, dan vallen de lichtstralen uit de buitenwereld bij het
in de verte kijken niet precies samen op het netvlies. Er is dan geen
sprake van een oogziekte of zwakte maar van een refractie- of brekingsafwijking.
Niet scherp zien ten gevolge van een refractie-afwijking.
Wat
zijn refractie-afwijkingen?
Om scherp te zien is het nodig dat lichtstralen uit de buitenwereld
precies op het netvlies van het oog samenvallen. Bij het normale oog
zorgen het hoornvlies en de lens in het oog ervoor dat bij zien in de
verte op het netvlies een helder beeld ontstaat. Scherp stellen voor
dichtbij gebeurt door het instellen van de ooglens. U kunt dit vergelijken
met een fotocamera: door de fotolens te verstellen zorgt u ervoor dat
binnenvallende stralen zo door de lens worden gebroken, dat ze precies
op de film samenkomen. Uw foto wordt dan scherp. Wanneer de sterkte
van hoornvlies en ooglens niet goed in verhouding staan tot de lengte
van de oogbol dan vallen de lichtstralen uit de buitenwereld bij het
in de verte kijken niet precies samen op het netvlies. Er is dan geen
sprake van een oogziekte of zwakte maar van een refractie- of brekingsafwijking.
Bijziendheid
Wanneer het hoornvlies te bol is of het oog te lang dan worden de binnenvallende
stralen te veel gebroken. Ze vallen dan samen op een punt dat voor het
netvlies ligt. Op het netvlies zelf ontstaat geen scherp beeld; men
spreekt dan van bijziendheid.
Verziendheid
Is het hoornvlies te vlak of het oog te kort dan vindt afbeelding van
een voorwerp plaats achter het netvlies. Ook dan is het beeld niet scherp.
Dit heet verziendheid.
Astigmatisme
Eveneens is het mogelijk dat het hoornvlies niet precies bolvormig is,
waardoor de breking in de ene richting anders is dan in de andere richting:
ook dit levert een onscherp beeld op. Deze afwijking heet astigmatisme.
Ouderdomsverziendheid
Bij het ouder worden vermindert het vermogen van de ooglens om scherp
te stellen voor dichtbij. Ongeveer vanaf het veertigste levensjaar begint
dit verschijnsel op te treden. De meeste mensen die tot dan toe geen
bril nodig hadden, zullen nu behoefte krijgen aan een leesbril.
Bril, contactlens of operatie?
Bril
Wil men bij een brekings- of refractie-afwijking het beeld toch scherp
op het netvlies krijgen dan heeft men een correctie nodig. De eenvoudigste
manier is een bril. Om bijziendheid te verhelpen voorziet men de bril
van negatieve glazen; bij (ouderdoms)-verziendheid krijgt men positieve
glazen. De bril om astigmatisme te verhelpen heeft cylindrische glazen.
Brillen tegelijk voor dichtbij en veraf zijn verkrijgbaar met een zichtbaar
leesdeel (bifocale glazen) maar ook met een onzichtbaar leesdeel (multifocale
glazen).
Contactlenzen
Een tweede mogelijkheid om beter te zien zijn contactlenzen. In principe
zijn er twee soorten contactlenzen; harde zuurstofdoorlaatbare lenzen:
dit zijn kleine lenzen met een doorsnede van maximaal 10 mm en een levensduur
van gemiddeld twee jaar; zachte lenzen: deze lenzen zijn wat groter
(14 mm).
Ze zijn zacht omdat ze water opnemen. Dit verbetert het draagcomfort;
nadeel is dat er een verhoogd risico op infectie bestaat, zeker wanneer
deze lenzen dag en nacht achtereen gedragen worden. De hygiene voor
onderhoud en vervanging is dus erg belangrijk. Er zijn dag-, week-,
maand- en half jaar vervangsystemen. De mogelijkheid bestaat om cylinder-afwijkingen
in lenzen aan te brengen. Ook is het mogelijk een leesgedeelte aan te
brengen in een contactlens.
Operatie
Als derde mogelijkheid is er een operatie. Met de komst van de speciale
laser (excimer-laser) behoren de krasjes op het hoornvlies tot het verleden.
Met de laser kan de sterkte verminderd worden, hetzij direct vanaf de
oppervlakte van het hoornvlies (PRK = photo refractieve keratectomie),
hetzij in de diepte na het maken van een flapje (Lasik = laser in situ
keratomileusis). Tevens is het mogelijk om een lens aan te brengen in
het oog voor de eigen lens. Ook is het mogelijk astigmatisme te verhelpen
met behulp van de laser of d.m.v. kleine sneetjes in het hoornvlies.
Tot
slot
Dit was in vogelvlucht enige informatie over refractie-afwijkingen en
de mogelijke correctiemiddelen. Mocht u vragen hebben dan is uw oogarts
of opticien graag bereid deze te
beantwoorden
Terug
naar boven
Inleiding
Retinitis pigmentosa (ook wel T.R.D., tapetoretinale dystrofie, genoemd)
is eigenlijk niet één ziekte maar een verzamelnaam voor
een groep ziekten die gekenmerkt worden door slecht zien in het donker
(nachtblindheid) en zeer geleidelijke beperking van het gezichtsveld,
die uiteindelijk leidt tot kokerzien. De ernst en het beloop kunnen
heel erg wisselen: soms zijn de symptomen al op kinderleeftijd duidelijk;
soms wordt de ziekte pas op middelbare leeftijd vastgesteld. Wij gaan
ervan uit dat de aanleg om de ziekte te krijgen, wel in alle gevallen
erfelijk bepaald is. Het gaat hierbij om verschillende vormen van erfelijkheid,
waarbij de kans om de aandoening over te dragen op eventuele kinderen
varieert van zeer gering (minder dan 1%) tot vrij aanzienlijk (maximaal
50%). Indien u een erfelijkheidsonderzoek wilt, kunt u dat overleggen
met uw oogarts of met uw huisarts.
Hoe
vaak komt het voor ?
Geschat wordt, dat ongeveer 1:4000 mensen retinitis pigmentosa (RP)
hebben. Dat betekent, dat er tegen de 4000 mensen met deze aandoening
in Nederland moeten zijn. Voor oogartsen is de ziekte goed bekend, maar
voor huisartsen is dat helaas niet zo, omdat de kans dat zij ermee te
maken krijgen veel kleiner is. Omdat de aanleg voor de ziekte erfelijk
is, zullen soms meerdere familieleden RP hebben, zodat de ziekte en
het beloop al uit ervaring bekend zijn. Toch kunnen er grote verschillen
zijn in het beloop van de ziekte, zelfs binnen één familie!
Bovendien is het zo, dat bij ongeveer de helft van de RP-patiënten
geen andere familieleden met de aandoening bekend zijn.
Diagnose
Wanneer RP in de familie voorkomt, zal men dikwijls de symptomen herkennen
en zal de oogarts vaak gemakkelijk de diagnose kunnen bevestigen, meestal
door naar het netvlies te kijken met de oogspiegel en gezichtsveldonderzoek
te laten doen. Bij het gezichtsveldonderzoek wordt gekeken of er delen
van het gezichtsveld (boven, beneden of opzij) niet goed functioneren.
Wanneer de aandoening niet in de familie voorkomt, wordt de diagnose
vaak in een veel later stadium gesteld: door het zeer langzame beloop
past de patiënt zich bijna ongemerkt aan. Hij of zij went zichzelf
om goed naar de grond te kijken tijdens het lopen en voortdurend de
omgeving te "scannen". Pas achteraf realiseert men zich dat
de symptomen er soms al meer dan tien jaar of langer waren ..... In
deze gevallen zal de oogarts behalve een gezichtsveldonderzoek soms
ook een ERG (ElectroRetinoRram) doen om zeker te zijn van de diagnose.
Bij dit onderzoek wordt de elektrische activiteit geregistreerd die
het netvlies na een lichtflits uitzendt. Bij dit onderzoek worden meestal
contactlenzen met draadjes eraan op de ogen geplaatst (na verdovende
druppels en met een soort gel) en moet men een tijd in het donker zitten.
Het onderzoek neemt daarom ruim een half uur tot drie kwartier in beslag
en is, zeker voor kinderen, toch wel belastend te noemen. In sommige
gevallen wordt ook een donkeradaptatie gedaan: hierbij meet men de gevoeligheid
van staafjes en kegeltjes, die langzaam toeneemt na het uitdoen van
het licht. Men moet recht vooruit in een bol kijken, terwijl in het
donker een zwak lichtje zo sterk wordt gemaakt, dat het net gezien wordt.
Dit onderzoek vereist wel concentratie en medewerking, maar is niet
belastend. Het geeft echter slechts informatie over een klein stukje
van het netvlies, namelijk daar waar een lichtje aangeboden wordt. Het
wordt daarom niet standaard uitgevoerd.

Prognose
Omdat het om zoveel verschillende vormen gaat, is er geen vaste uitspraak
te doen over de prognose. Wel gaat het in principe om een langzame achteruitgang.
Soms lijken er echter periodes van "stilstand" op te treden,
helaas soms ook van snellere achteruitgang. Vaak is de gezichtsscherpte
tot op redelijk hoge leeftijd goed, zodat lezen geen probleem geeft,
maar men door het zeer kleine gezichtsveld toch erg gehandicapt is,
bijvoorbeeld bij het lopen door een winkelstraat of bij het oversteken.
Dit gelijktijdig aanwezig zijn van het goede zien van kleine details
en het niet zien van grote obstakels wordt door de omgeving soms moeilijk
begrepen. Het is belangrijk dit aan familie, vrienden en collega's uit
te leggen. Het blijkt vaak moeilijk met de onzekerheid over de toekomst
te leven. Na het horen van de diagnose is het normaal, dat men een periode
nodig heeft om het veranderde toekomstbeeld te verwerken. Sommige mensen
worden angstig, andere boos of depressief. Het gaat in feite om een
soort rouwproces. Het is belangrijk over uw gevoelens te kunnen praten.
Behandeling
Helaas is er tot dusver geen effectieve behandeling voor RP. Men is
en blijft echter druk bezig met het zoeken hiernaar: medicijnen (momenteel
is men bezig met, netvliestransplantatie (dierproeven, enkele proeven
op bijna blinde mensen gedaan: nog niet veel resultaat), het in-bouwen
van chips in het netvlies (dierproeven) en ook is men bezig met gentherapie
(dierproeven)). Hopelijk geven deze inspanningen in de nabije toekomst
mogelijkheden voor een effectieve therapie! Uit Amerikaans onderzoek
is gebleken, dat patiënten die hoge doses vitamine A slikten, minder
achteruitgang van hun ERG lieten zien dan RP-patiënten die dit
niet deden. Er was echter geen verschil merkbaar in de gezichtsscherpte
en het gezichtsveld. Men is het er daarom niet over eens, of het nu
verstandig is vitamine A te slikken of niet, vooral omdat een teveel
aan vitamine A het lichaam niet langs natuurlijke weg verlaat, maar
wordt opgeslagen in vetweefsel. Hoge doses vitamine A kunnen schadelijk
zijn en bijvoorbeeld afwijkingen veroorzaken aan de ongeboren vrucht,
zodat het kinderen en vrouwen in de vruchtbare leeftijd in ieder geval
wordt ontraden. Via de RP patiëntenvereniging kunt u op de hoogte
blijven van nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van de therapie, o.a.
via het verenigingsblad "Uitzicht".
Heeft
het zin voor controle naar de oogarts te blijven gaan?
Hoewel de oogarts de kwaal niet kan wegnemen, kan hij of zij u soms
toch helpen. Het controleren van de brilsterkte is natuurlijk zinvol
om uw gezichtsvermogen zo goed mogelijk te benutten. Zo nodig kan de
oogarts u verwijzen voor extra hulpmiddelen (loupes etc.). Verder komt
bij RP vaak staar voor. Deze staar kan geopereerd worden, waardoor het
zicht aanzienlijk kan verbeteren. RP-patiënten hebben geen hoger
operatierisico dan gewone staarpatiënten, maar de afweging of je
wel of niet moet opereren, kan moeilijk zijn: in hoeverre is de staar
en in hoeverre is de RP verantwoordelijk voor achteruitgang van het
gezichtsvermogen? Het resultaat van de operatie is daardoor vaak moeilijk
te voorspellen. Soms daalt de gezichtsscherpte door ophoping van vocht
in de gele vlek (macula-oedeem). Hiervoor kan de oogarts een soort plaspil,
Diamox, geven. Dit middel heeft nogal wat bijwerkingen en helpt lang
niet altijd, maar kan soms toch de gezichtsscherpte aanzienlijk verbeteren.
Tenslotte komt bij een zeer klein percentage van RP-patiënten een
verhoogde oogdruk voor. Aangezien dit ook meestal relatief makkelijk
(met oogdruppels) kan worden behandeld, is controle van de oogdruk van
belang om (onnodige) schade te voorkomen.
Tot
slot
RP is een ernstige oogziekte, die op dit moment niet genezen kan worden.
In het algemeen gaat het om een zeer langzame verslechtering, waaraan
men zich vaak goed aanpast. De onzekerheid over het beloop is echter
moeilijk te aanvaarden. Het heeft echter geen zin, u af te vragen óf
en zo ja, wanneer u blind zult worden. Hopelijk wordt u dit niet. Probeert
u zich te richten op de dingen die u wél kunt, bezig te zijn
met vandaag en minder met morgen.
Terug
naar boven
Wat
is de macula ?
Zoals in een fototoestel achter de lens de lichtgevoelige laag het filmpje
zit, is dit ook het geval in het oog.
Daar is het netvlies achterin het oog, de lichtgevoelige laag. Het centrale
deel daarvan, nauwelijks enkele millimeters groot, is de macula. Alleen
via de macula is het centrale scherpe zien mogelijk. Door MD wordt de
macula en dus het scherp zien aangetast.
De belangrijkste typen MD zijn:
Juveniele
MD.
Deze treedt reeds op jonge leeftijd op en is erfelijk. Er zijn verschillende
vormen. Vergeleken met het hierna volgende type komt de juveniele MD
betrekkelijk weinig voor.
Seniele
of leeftijdsgebonden MD.
"Seniel" heeft hier betrekking op de leeftijd: het begint
rondweg na het vijftigste levensjaar. Erfelijkheid speelt voor zover
bekend geen rol van betekenis. Er zijn bij dit type twee belangrijke
vormen te onderscheiden: droge MD en vochtige MD. Bij droge MD gaat
vooral de fijne structuur van de macula verloren. Bij de vochtige MD
treden daarnaast ook lekkage uit bloedvaatjes, nieuwvormingen van vaten
en/of bloedingen in het netvlies op.
Beloop
Hoe erg wordt het? Om hierover duidelijkheid te kunnen geven is het
noodzakelijk onderscheid te leren maken tussen het centrale en het perifere
zien. Het centrale zien functioneert overal waar men de blik op richt
om iets scherp te zien; als u iemand aankijkt, als u leest of iets anders
doet waarbij het gaat om fijne details. Het perifere zien ligt daarbuiten,
eromheen: opzij, boven, onder. Bij MD heeft het centrale zien, dus het
scherpe zien, te lijden.U kunt iemands gezicht niet meer goed zien;
lezen gaat niet goed meer; TV-kijken wordt moeilijk. In verreweg de
meeste gevallen blijft het perifere zien gespaard; men wordt dus niet
totaal blind! Hoe erg het wordt hangt ten dele af van het type MD. Bij
de groep van de juveniele MD, waarin de zogenaamde ziekte van Stargardt
de meest bekende is, kan het bij de verschillende vormen nogal uiteenlopen
hoe ernstig de stoornis wordt en hoe snel het gaat. Vrijwel altijd zijn
beide ogen aangedaan. Bij de droge MD, de meest voorkomende vorm van
seniele MD, kan het jaren duren voordat het zicht duidelijk merkbaar
achteruit gaat. Het perifere zien blijft intact. Gewoonlijk zijn beide
ogen min of meer aangedaan. Bij de vochtige MD, ook wel genoemd de MD
van Junius Kuhnt of de schijfvormige MD, verloopt het proces vaak veel
sneller dan bij de droge MD; soms zelfs heel snel. Opvallend is dat
het andere oog nog een tijd redelijk goed kan blijven, maar ook hier
moet men erop rekenen, dat vroeg of laat beide ogen zullen worden getroffen.
In sommige gevallen van vochtige MD kan ook het perifere zien enigermate
worden aangetast. In het algemeen bereikt de ziekte een eindstadium.
Maar vaak betekent MD al lang voordat het zover is een ernstige visuele
handicap met verstrekkende gevolgen voor belangrijke zaken zoals beroep
en hobby's. De mate waarin dit het geval zal zijn is echter moeilijk
te voorspellen.
Onderzoek
De diagnose MD zal veelal op grond van oogspiegelonderzoek door de oogarts
worden gesteld. Vaak zal de oogarts nog aanvullend onderzoek verrichten
met behulp van fluoresceineangiografie. Daarbij wordt na het inspuiten
van contrasterende vloeistof in de arm, een serie foto's gemaakt van
het netvlies van één of beide ogen. Op deze wijze is de
aard en de mate van de MD heel goed te bepalen. Op grond van de bevindingen
kan worden besloten of behandeling met laser mogelijk en/of zinvol is.
Behandeling
Een echte behandeling die de oorzaak van het ziekteproces bestrijdt
is er helaas niet. In enkele gevallen van vochtige MD is behandeling
met laser mogelijk. Maar ook dan is een blijvend gunstig effect niet
te garanderen. Van meer belang zijn de mogelijkheden van "low vision";
dit is de verstrekking van optische hulpmiddelen. Deze kunnen variëren,
afhankelijk van de behoefte van de patiënt, van een eenvoudige
leesliniaal tot een gecompliceerde prismaloupebril met leesopzetstuk.
Ook aan de verlichting van omgeving en werkvlak wordt aandacht besteed.
De bedoeling van low vision is het verkrijgen van een optimale gezichtsscherpte
ondanks de schade die door MD aan het gezichtsvermogen is toegebracht.
Het low vision onderzoek geschiedt veelal door speciaal daarvoor opgeleide
optometristen of opticiens. Ook kan het plaatsvinden via instellingen
voor ambulante hulp aan mensen met een visuele handicap. Individuele
aanpassing en training is bij low vision van groot belang en men zal
veel tijd en energie moeten besteden aan het leren omgaan met de verschillende
technische hulpmiddelen.
Puntsgewijs
Er
zijn geen middelen bekend, geen medicamenten, geen dieet of andere leefregels,
waardoor MD kan worden voorkomen, of eenmaal opgetreden, gunstig kan
worden beïnvloed. Hoewel de werkelijke oorzaak van MD niet bekend
is, wordt het vaak slijtage genoemd. Dit houdt geen verwijt in dat men
de ogen verkeerd zou hebben gebruikt. Intensief gebruik van loupes of
andere hulpmiddelen verergert het ziekteproces niet. Er zijn verschillende
andere aandoeningen van het inwendige oog, die naar hun natuur op allerlei
plaatsen kunnen optreden; dus ook wel eens in het gebied van de macula.
Deze aandoeningen hebben echter niets met MD te maken, hoewel er overeenkomstige
klachten kunnen optreden. Deze aandoeningen blijven hier, bij de bespreking
van MD, buiten beschouwing.
Wat is de MD-groep ?
Voluit eigenlijk: Diagnosegroep
Macula Degeneratie. De MD-groep is als patiëntenvereniging
tot stand gekomen binnen de Nederlandse Vereniging van Blinden en Slechtzienden
de NVBS en wil MD patienten de hand reiken bij het leren omgaan met
hun handicap.
Terug
naar boven

Het oogwit wordt bedekt door een dunne laag slijmvlies (conjunctiva) dat veel fijne bloedvaatjes bevat. Bij irritatie zetten deze vaatjes uit, waardoor het oog rood wordt.
Oorzaken
De meest voorkomende oorzaak is een virus of een bacterie. Ook een allergie,
het “droge ogen” syndroom of irriterende stoffen in de omgeving
kunnen een rood oog veroorzaken.
Verschijnselen
Een bacteriële conjunctivitis geeft een geelgroene afscheiding
(pus).
Virussen zijn in het algemeen de oorzaak van het bekende “rode oog”, vaak gepaard gaande met een rauwe keel en loopneus, zoals bij een verkoudheid of griep; deze verschijnselen duren 1-2 weken De meeste virale infecties van de conjunctiva veroorzaken een slijmvorming en waterige afscheiding. De allergische conjunctivitis geeft vaak jeuk en waterige afscheiding en wisselend matige tot hevige roodheid. Het “droge ogen” syndroom geeft pijnlijke, rode slijmvliezen soms met lichtschuwheid en door de irritatie heftige tranenvloed. Irriterende stoffen geven voornamelijk forse, waterige, afscheiding eventueel gevolgd door een rood oog.
Diagnose
Door onderzoek kan de oogarts of de huisarts onderscheid maken tussen
de verschillende soorten bindvliesontsteking. Soms kan het ook nodig
zijn een “kweek” te maken van de afscheiding uit het oog.
Hiervoor wordt voorzichtig met een wattenstaafje langs het oogslijmvlies
gestreken. Op deze manier kan worden vastgesteld welke bacterie of virus
bestreden moet worden
Behandeling
Bij een bacteriële conjunctivitis kan een antibioticum gegeven
worden in de vorm van oogdruppels, zalf of een gel. Bij een virale conjunctivitis
hebben antibiotica geen effect. Soms is het nodig met ontstekingsremmende
medicijnen te druppelen. Allergische conjunctivitis kan worden behandeld
met druppels die specifiek tegen een allergie in het oog werkzaam zijn.
Het “droge ogen” syndroom kan soms worden behandeld met
kunsttranen. Er zijn vele soorten druppels, zalven en gels in de handel
die de verschijnselen van droge ogen helpen verzachten (zie voor verdere
informatie de folder “droge ogen” ).
Preventie
De bacteriële en virale vormen van conjunctivitis zijn besmettelijk.
Het is daarom aan te bevelen de handen goed te wassen na contact met
de patiënt (oogdruppelen!) en geen handdoeken of zakdoeken over
en weer te gebruiken.
Inleiding
Prematuren retinopathie is een aandoening die kan ontstaan in het netvlies
van te vroeg geboren kinderen. In het netvlies treedt een verstoring
op van de uitgroei van de normale bloedvaten. Dit kan leiden tot afwijkende
bloedvaten (vaatnieuwvorming). Deze kunnen aan het netvlies trekken
waardoor dit uiteindelijk plaatselijk of geheel los kan raken.
Tijdens de zwangerschap groeien de bloedvaten in het netvlies vanuit het gebied rond de oogzenuw geleidelijk uit naar de randen van het netvlies. Pas bij een zwangerschapsduur van 38 tot 40 weken is de uitgroei van de bloedvaten in het netvlies voltooid. Te vroeg geborenen hebben nog'onrijpe' netvliesvaten waarvan de verdere uitgroei verstoord kan raken. Hierbij zijn een aantal factoren van invloed: het belangrijkst is de zwangerschapsduur bij de geboorte (hoe korter de zwangerschap, des te hoger de kans op ROP); daarnaast het geboortegewicht en meerlingzwangerschappen, het aantal dagen en de wijze (met of zonder kunstmatige beademing) waarop zuurstof werd toegediend; alsook het optreden van ademhalingsstilstanden, ernstige algemene infecties met hoge koorts (sepsis), bloedtransfusies en tekort aan vitamine E tijdens de periode volgend op de vroeggeboorte. Vaak spelen meerdere factoren tegelijk een rol.
Beloop
ROP ontstaat meestal in de 5e tot 7e week na de premature geboorte.
Per week kan de ernst van de ROP toenemen; bij 1 tot 2% van de prematuur
geboren kinderen ontwikkelt ROP zich binnen 6 tot 10 weken van stadium
1 (geringe afwijking op de overgang tussen wel en niet van bloedvaten
voorziene netvliesgedeelte) tot stadium 5 (totale netvliesloslating).
Bij de meeste kinderen treedt spontane teruggang van de afwijkingen
in het netvlies op zonder blijvend zichtbare afwijkingen. Van de kinderen
met een geboorte gewicht minder dan 1000 gram ontwikkelt uiteindelijk
ongeveer 30% een littekenstadium en 8% een eindstadium (met blindheid)
tgv ROP. Voor kinderen met geboorte gewicht tussen de 1000 en 1500 gram
liggen deze percentages op 2,5 respectievelijk 0,5 %.


Screening
en Diagnose
De afwijkingen in het netvlies bij prematuren zijn meestal op te sporen
door alle vroeg geboren kinderen met risicofactoren in de periode na
hun geboorte te vervolgen. Dit gebeurt middels oogspiegelonderzoek met
verwijde pupillen volgens een bepaald screeningsprotocol. Eventueel
zichtbare afwijkingen worden vervolgd en indien noodzakelijk behandeld
(zie onder behandeling).
Volgens het protocol moeten alle kinderen met een zwangerschapsduur
minder dan 32 weken en/of alle kinderen met een geboortegewicht minder
dan 1500 gram en/of alle te vroeg geborenen die langer dan drie dagen
meer dan 40% zuurstof kregen door de oogarts worden gescreend op ROP.
Het eerste oogspiegelonderzoek hoort plaats te vinden 5 tot 6 weken
na de geboorte. De frequentie van de vervolgonderzoeken is afhankelijk
van de bevindingen bij het eerste oogspiegelonderzoek. Voor het oogspiegelonderzoek
wordt de pupil maximaal wijd gemaakt met oogdruppels. Dikwijls wordt
na een verdovende oogdruppel een ooglidspreider ingebracht om het netvlies
optimaal te kunnen bekijken. In principe is het onderzoek niet gevaarlijk
of pijnlijk.
Behandeling,
algemeen
Er is tot nu toe helaas nog geen mogelijkheid het ontstaan van ROP bij
te vroeg geborenen te voorkomen. Veeleer is het door de huidige neonatologische
technieken mogelijk steeds jongere premature kinderen in leven te houden.
Juist bij hen is de kans om ROP te ontwikkelen het hoogst. Daardoor
blijkt het aantal tgv ROP blind of slechtziend geworden kinderen in
Nederland een stijging te vertonen.
Anderzijds hebben nieuwe neonatologische behandelingen de kans op ROP
duidelijk verkleind.
Behandeling,oogheelkundig
Aangezien thans algemeen wordt aangenomen dat de prikkel voor het uitgroeien
van afwijkende bloedvaten in het netvlies afkomstig is uit het nog niet
van vaten voorziene gedeelte daarvan, bestaat behandeling van ROP uit
het uitschakelen van dit gedeelte van het netvlies met behulp van cryotherapie
(koude coagulatie) of laserbehandeling. Deze behandelingen worden gegeven
in gespecialiseerde oogklinieken, veelal in centra waar ook een NICU
(Neonatale Intensive Care Unit) aanwezig is.
De noodzaak tot behandeling hangt af van een aantal faktoren: de plaats van de afwijkende vaten in het netvlies, de ernst van de afwijking en de mate van progressie van de afwijkingen. In principe wordt onder narcose behandeld via de buitenkant of via de pupilopening van het oog. Soms is herhaalde cryo of laserbehandeling nodig. In de vergevorderde stadia van ROP kan geprobeerd worden iets van visuele functie te behouden door hooggespecialiseerde netvlieschirurgie. De prognose in deze gevallen is helaas ongunstig.
Prognose
Door deze behandelingen tijdig toe te passen bleek in een grote Amerikaanse
studie het aantal kinderen dat door ROP blind of slechtziend werd met
50% af te nemen. Nog steeds wordt echter een deel van de behandelde
kinderen slechtziend of blind tgv de netvliesafwijkingen of complicaties,
zoals bloedingen of verhoogde oogdruk.Ook is er in de met succes behandelde
groep kinderen een verhoogde kans op latere complicaties zoals een lui
oog, sterke bijziendheid, scheelzien of een late netvliesloslating.
Oogheelkundig vervolgonderzoek op peuter en kleuterleeftijd wordt daarom
aanbevolen.
Met
dank aan het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap.
Wat
is Herpes Simplex?
Herpes Simplex is een virus dat infecties kan veroorzaken in de huid,
slijmvliezen en zenuwen. Er zijn twee belangrijke soorten Herpes Simplex
Virus (HSV).
Type I is de meest voorkomende soort en is verantwoordelijk voor de
Herpes Simplex oogontsteking en de bekende koortslip.
Type II is seksueel overdraagbaar en veroorzaakt slechts zelden een
ontsteking in het bovenlichaam.
Wat
is de Herpes Simplex oogontsteking?
De meest voorkomende Herpes Simplex oogontsteking veroorzaakt door HSV
type I is een terugkerende ontsteking van het hoornvlies, het voorste
heldere deel van het oog. Littekenvorming in het hoornvlies kan het
gezichtsvermogen ernstig verminderen.
Het Herpes Simplex Virus type I dat de infectie veroorzaakt, kent een
aantal subtypen. Hierdoor kunnen duur en ernst van de ontsteking variëren.
Ook de reactie op de behandeling kan verschillend zijn.
Verschijnselen
De ziekte begint meestal aan het oppervlak van het hoornvlies. Het oog
wordt rood, is geïrriteerd en gevoelig voor licht. De meeste mensen
krijgen de ontsteking hierna niet opnieuw. Eén op de vier mensen
met een hoornvlies ontsteking krijgt echter binnen twee jaar opnieuw
een ontsteking.
Beloop
De ontsteking kan dieper in het hoornvlies dringen en daar blijvende
littekens of een ontsteking in het oog veroorzaken. Soms ontstaan op
het hoornvlies chronische zweren, die zeer moeizaam genezen. Herpes
Simplex oogontsteking treedt meestal maar in één oog op.
Verspreiding van het virus naar andere mensen is niet waarschijnlijk.
Bij mensen met een slechte afweer (zoals patiënten met AIDS, of
na een orgaantransplantatie, waarbij afweerremmende medicijnen worden
gegeven) kan het virus andere delen van het lichaam infecteren. Dit
gebeurt echter hoogst zelden.
Na de oorspronkelijke infectie komt het virus in een ruststadium. Het verblijft in de zenuwen die van de huid of het oog afkomstig zijn. Zo af en toe, bijvoorbeeld tijdens een verkoudheid, wordt het virus weer actief en veroorzaakt dan opnieuw een oogontsteking of een koortslip.
Hoe
wordt Herpes Simplex oogontsteking behandeld?
De behandeling hangt af van de uitgebreidheid van de ontsteking. Vaak
wordt antivirale oogmedicatie gebruikt in de vorm van oogdruppels of
oogzalf.
Soms is het nodig om het oppervlak van het hoornvlies eraf te schrapen
om de hoeveelheid virusdeeltjes te verminderen. Corticosteroïden
kunnen gebruikt worden om de reactie van het lichaam af te remmen. Het
is van groot belang goed ervoor te waken dat het virus zich niet vermeerdert.
Wanneer er sprake is van ernstige littekenvorming en het gezichtsvermogen
ernstig is aangedaan kan een hoornvliestransplantatie overwogen worden.
Bij een beginnende ontsteking, ook als u dit al vaker heeft meegemaakt, is het belangrijk om contact op te nemen met uw oogarts.
Met dank aan het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
Inleiding
Ten gevolge van suikerziekte (diabetes mellitus) kunnen er beschadigingen
optreden binnen in het oog. Zonder dat al direct het zien wordt aangetast
kunnen er toch afwijkingen aanwezig zijn in het netvlies. Men noemt
dit diabetische retinopathie. Wanneer deze schadelijke afwijkingen niet
tijdig worden onderkend en behandeld kan blindheid het gevolg zijn.
Diabetische
retinopathie
Diabetische retinopathie is een complicatie van suikerziekte waarbij
er veranderingen optreden in de bloedvaten van het netvlies. Deze veranderingen
kunnen zich voordoen in twee vormen. De wand van de kleine bloedvaten
is veranderd. Daardoor kan lekkage van vocht en bloed optreden (exsudatieve
retinopathie). Daaropvolgend kan bloedvatnieuwvorming optreden (proliferatieve
retinopathie). Deze nieuwe bloedvaatjes zijn erg broos en kunnen gemakkelijk
bloedingen in het glasvocht binnen in het oog veroorzaken.
Controle
Het risico van het krijgen van een retinopathie neemt toe met de tijd
dat de suikerziekte bestaat. Omdat het mogelijk is al geruime tijd aan
suikerziekte te lijden zonder dat men daar iets van heeft gemerkt is
het verstandig ook de ogen te laten controleren zodra er suikerziekte
is vastgesteld. Goede regulatie van de bloedsuiker maakt de kans op
het krijgen ervan. Het algemeen advies luidt deze controle na 1 tot
2 jaar te herhalen ook als u geen oogklachten heeft. Er kunnen afwijkingen
optreden in de ogen die (nog) geen klachten geven maar wel behandeld
moeten worden om verdere beschadiging te stoppen.
Onderzoek
Bij het onderzoek door de oogarts wordt de pupil met druppels verwijd,
zodat het netvlies goed kan worden bekeken. Deze druppels maken het
zien tijdelijk minder. Als er afwijkingen worden gevonden, kan het noodzakelijk
zijn foto's te maken met contrastvloeistof (fluorescentie-angiografie).
Hierbij wordt een kleurstof in de arm gespoten. Soms kan men hier wat
misselijk van worden. Met behulp van dit onderzoek kan de oogarts de
mate en de ernst van de afwijking beter beoordelen.
Behandeling
Wanneer er afwijkingen in het netvlies worden vastgesteld, kan een laserbehandeling
in een groot aantal gevallen een verder achteruitgaan van het zien stoppen
of vertragen.
Laserbehandeling
Met laserbehandeling is het mogelijk bijzondere lichtstralen op het netvlies te richten. In geval van exsudatieve diabetische retinopathie is het mogelijk de lekkende bloedvaten dicht te lassen. Deze behandeling duurt in het algemeen ongeveer tien minuten. Wanneer er echter nieuwe bloedvaatjes zijn gevormd (proliferatieve diabetische retinopathie) moet vrijwel het gehele netvlies met laserstralen worden behandeld. Deze behandeling is veel uitgebreider dan de eerstgenoemde en zal vaak in meerdere keren plaatsvinden. De voorbereiding op de laserbehandeling bestaat uit oogdruppels om de pupil te verwijden en druppels om het oog te verdoven. Indien het gaat om een uitgebreide behandeling, kan ook een injectie bij het oog gegeven worden voor een plaatselijke verdoving.
Andere
behandelingen
Als er een bloeding in de glasvochtruimte ontstaat kan soms een behandeling
met koude (cryotherapie) helpen om de abnormale bloedvaten, die de bloeding
hebben veroorzaakt, te doen verdwijnen. Als de bloeding hiermee niet
voldoende opheldert, kan een vitrectomie worden uitgevoerd. Dit is een
operatie, waarbij het glasvocht wordt verwijderd. Naar bevind van zaken
kan tijdens de operatie het netvlies ook nog met laserstralen worden
behandeld.
Conclusie
Helaas geeft suikerziekte nogal eens problemen met het zien. Door de
steeds betere onderzoeks- en behandelingstechnieken is het tegenwoordig
vaak mogelijk de retinopathie tot staan te brengen. In veel gevallen
is het daardoor mogelijk blindheid te voorkomen. Laat daarom bij suikerziekte
uw ogen regelmatig onderzoeken!
Verdere vragen kunt u het best aan uw eigen oogarts stellen.
Met
dank aan het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
Inleiding
Scheelzien is een afwijking van de stand van de ogen, waarbij de ogen
niet op hetzelfde punt gericht zijn. Het ontstaat meestal op kinderleeftijd,
maar kan ook bij volwassenen optreden. Dit artikel gaat uitsluitend
over het gewone scheelzien, waarbij de oogspieren normaal functioneren.
Scheelzien komt voor bij 3 - 5% van de bevolking en is niet alleen een
cosmetisch probleem. Schele kinderen vaak geplaagd en ouderen kunnen
hun afwijkende oogstand als lelijk ervaren. De voornaamste reden om
scheelzien al op jonge leeftijd op te sporen en te behandelen is om
te voorkomen dat een lui oog niet tijdig wordt behandeld. Een lui oog
ziet details slecht en is alleen bij jonge kinderen met succes te behandelen.
Oorzaken
en gevolgen
Om inzicht in de oorzaken en gevolgen van het scheelzien te krijgen
is het belangrijk te weten dat mensen zien met beide ogen. De beelden
uit beide ogen worden in de hersenen verenigd tot één
beeld. Dit vermogen tot tweeogig zien ontwikkelt zich in de eerst zes
tot zeven levensjaren van het kind, waarbij de belangrijkste ontwikkelingen
al plaats vinden in de vroegste levensperiode. Als de normale ontwikkeling
van het tweeogig zien wordt verstoord kan scheelzien optreden. Factoren
die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van scheelzien zij o.a. erfelijke
aanleg of medische problemen in de periode rond de geboorte. Ook de
eventuele brilsterkte van de ogen kan het ontstaan van scheelzien in
de hand werken. Een hoge verziendheid is een risicofactor voor het ontwikkelen
van scheelzien. Verder kan een verschil in sterkte tussen de beide ogen
leiden tot verstoring van het tweeogig zien en tot scheelzien.
Het
luie oog
Wanneer
scheelzien al op jonge leeftijd ontstaat is er zelden sprake van dubbelzien.
Het dubbelbeeld wordt in de hersenen onderdrukt. Als het beeld van hetzelfde
oog enige tijd achter elkaar wordt onderdrukt, dan ontwikkelt het scherpzien
van dit oog zich niet goed en gaat het gezichtsvermogen achteruit. Men
spreekt dan van een lui oog. Wanneer de ogen beurtelings scheel kijken
is de kans op een lui oog klein. Een lui oog kan al op zeer jonge leeftijd
ontstaan en het gaat niet vanzelf over! Wel kan het worden verholpen
als er tijdig met de behandeling wordt begonnen, in elk geval voor het
zesde jaar, maar bij voorkeur eerder.
Verschijnselen
en diagnose
Een flinke scheelziensafwijking is duidelijk zichtbaar. Maar er zijn
ook kleine scheelziensafwijkingen, die niet of nauwelijks opvallen en
daardoor minder ernstig lijken. De gevolgen zijn echter gelijk, maar
een kleine afwijking kan alleen door gericht onderzoek worden ontdekt.
Het is mogelijk dat de afwijking al langere tijd bestaat en dat er sprake
is van een zeer slechtziend lui oog. Wanneer het scheelzien pas op oudere
leeftijd optreedt is de kans op een lui oog klein. In dat geval kan
het beeld van het afwijkende oog minder gemakkelijk worden onderdrukt.
Er zal dan dubbelzien optreden. Het kind knijpt dan vaak één
oog dicht, houdt de hand voor het oog of klaagt over dubbelzien. Ook
kan het kind last krijgen van onzekere bewegingen: b.v. ernaast grijpen,
misstappen of gebrekkig afstand kunnen schatten bij balspelen.
Onderzoek
Op veel consultatiebureaus voor zuigelingen en kleuters worden tegenwoordig
de oogjes volgens een vast onderzoeksprogramma nagekeken. Wanneer de
bureau-arts twijfelt aan de stand van de ogen of aan de kwaliteit van
het zien stuurt hij het kind door naar de oogarts. De oogarts en samenwerkende
orthoptist doen al bij jonge kinderen uitgebreid onderzoek naar de stand
en de samenwerking van de ogen. Ook worden de oogbewegingen onderzocht
en wordt de gezichtsscherpte oog voor oog bepaald. De oogarts zal de
ogen indruppelen om de pupillen te verwijden. Zo kan de oogarts de ogen
van binnen te bekijken en zien of de ogen gezond zijn. Daarbij wordt
ook vastgesteld of er een brilcorrectie nodig is. De druppels zijn binnen
enkele uren uitgewerkt.
Behandeling
De behandeling van scheelzien en/of van een lui oog kan langdurig zijn.
In de meeste gevallen komt het kind na onderzoek door de oogarts onder
behandeling van de orthoptist die de oogarts ook adviseert bij de beslissing
tot een oogspieroperatie. In het algemeen wordt ernaar gestreefd eerst
het luie oog te behandelen voordat de eventuele oogspiercorrectie wordt
uitgevoerd. Behandeling van het luie oog omvat de volgende methoden:
Afplakken
of afdekken van het goede oog, om het zien van het luie oog te verbeteren.
Zo nodig voorschrijven van een bril om het beeld dat het luie oog ontvangt
maximaal scherp te krijgen.
Voorschrijven van een bril bij een hoge verziendheid (positieve brilsterkte)
omdat het kind daardoor een verbetering van de oogstand kan krijgen.
In enkele gevallen is het nodig oogdruppels voor te schrijven.
Bij al deze behandelingen zijn regelmatige controles nodig om de resultaten te kunnen vaststellen. Bij deze controles kan de oogarts het resultaat van de behandeling met de ouders bespreken.
De
oogspieroperatie
Bij een deel van de schele kinderen zal vroeg of laat worden besloten
tot "rechtzetten". Er wordt dan een oogspieroperatie verricht,
waarbij de oogspieren die aan de buitenkant van de oogbol vastzitten,
verzwakt worden of versterkt door ze te verplaatsen of in te korten.
Dit kan aan een of aan beide ogen gebeuren. Aan jonge kinderen wordt
altijd algehele narcose gegeven. Van het ziekenhuis hangt af of het
kind voor de operatie moet worden opgenomen of dat de ingreep in dagbehandeling
plaatsvindt. Na de operatie zullen de ogen rood en wat gezwollen en
pijnlijk zijn. Er kunnen oogdruppels worden voorgeschreven. De eerst
dagen na de operatie kan het kind beter niet in de zandbak spelen. Ook
wordt zwemmen vlak na de operatie in het algemeen ontraden wegens infectiegevaar.
In de meeste gevallen heeft de operatie voldoende cosmetisch resultaat.
Soms is een tweede operatie noodzakelijk, bijvoorbeeld bij een duidelijke
onder- of overcorrectie. Bij oogspieroperaties op oudere leeftijd is
het erg belangrijk tevoren goed te onderzoeken in hoeverre er kans bestaat
op dubbelzien na een operatie. Soms zijn de hersenen zo goed aangepast
aan de bestaande schele oogstand dat het onmogelijk is een cosmetisch
storend scheelzien te corrigeren zonder dubbelzien te veroorzaken. In
dat geval moet van een operatie worden afgezien.
Verdere vragen kunt u het best aan uw eigen oogarts of orthoptist stellen.
Met dank aan het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
Oogdruk
De bolle vorm van het oog wordt mede in stand gehouden doordat binnen
in het oog vocht wordt geproduceerd, dat kamerwater wordt genoemd. Dit
oogvocht heeft niets te maken met het uitwendige traanvocht. De hoogte
van de oogdruk is afhankelijk van het evenwicht tussen aanmaak en afvoer
van het kamerwater. Te hoge oogdruk kan ontstaan wanneer de afvoer van
kamerwater wordt belemmerd.
Oorzaak
De oorzaak van glaucoom is nog onbekend. Wel weten we dat een verhoogde
oogdruk een zeer belangrijke factor is. Door verhoogde oogdruk kan beschadiging
van de oogzenuw optreden met als gevolg uitval van een deel van het
gezichtsveld, zonder dat dit in het begin wordt opgemerkt. Ook is bekend
dat afwijkingen van de bloedvaten bij of in het oog een rol kunnen spelen.
Soorten
glaucoom
De meest voorkomende vorm van glaucoom is het open kamerhoekglaucoom.
Een bijzondere vorm is het normale oogdrukglaucoom, waarbij ernstige
schade aan de oogzenuw kan optreden zonder dat de oogdruk duidelijk
verhoogd is. Veelal speelt een slechte bloedtoevoer naar de oogzenuw
hierbij een rol. Bij het afgesloten kamerhoekglaucoom is de bouw van
het oog zodanig dat in korte tijd afsluiting van de kamerhoek kan ontstaan
met als gevolg een acuut glaucoom. Dit gaat gepaard met wazig zien,
een rood oog, hoofdpijn, misselijkheid en braken en vereist snelle behandeling.
De chronische vorm komt meer voor en is in een vroeg stadium goed te
behandelen. Mensen die verziend zijn, met een sterke plus-bril, hebben
een grotere kans op afgesloten kamerhoekglaucoom. Aangeboren glaucoom
is zeldzaam, maar glaucoom kan op elke leeftijd optreden. Glaucoom kan
ook ontstaan als gevolg van andere oogziekten. We spreken dan van secundair
glaucoom.
Risicogroepen
In principe kan iedereen glaucoom krijgen.
De belangrijkste factoren die de kans op glaucoom vergroten zijn:
1.
een verhoogde oogdruk.
2. de aanwezigheid van glaucoom in de familie.
3. de leeftijd; met het stijgen van de leeftijd neemt
de kans op glaucoom toe.
4. hoge bijziendheid (een sterke min-bril)
5. het gebruik van bepaalde geneesmiddelen of oogdruppels.
6. een doorgemaakt oogongeval.
7. het behoren tot het negroïde ras.
Onderzoek
Deskundige controle van de ogen kan glaucoom al in een vroeg stadium
aan het licht brengen. Uitsluitend oogdrukcontrole is hiervoor niet
toereikend. Met name is dit van belang na het veertigste levensjaar,
vooral wanneer er in de familie vaker glaucoom voorkomt. Het onderzoek
naar glaucoom omvat onder andere meting van de oogdruk, het bekijken
van het inwendige van het oog en zo nodig bepaling van het gezichtsveld.
Behandeling
Wanneer de diagnose glaucoom gesteld, probeert de oogarts eerst de oogdruk
te verlagen. Meestal met oogdruppels, maar soms ook met tabletten. Ook
kan besloten worden een laserbehandeling uit te voeren. Met een laserstraal
wordt de afvoer van het inwendige oogvocht verbeterd, waardoor de oogdruk
vermindert. Deze ingreep gebeurt meestal poliklinisch. Daarnaast bestaat
ook nog de mogelijkheid de afvoer van het inwendige oogvocht door middel
van een operatie zo te verbeteren dat de oogdruk voldoende daalt om
beschadiging van de oogzenuw te voorkomen of te stabiliseren. Reeds
bestaande schade aan de oogzenuw en aan het gezichtsvermogen kan echter
niet meer ongedaan worden gemaakt.
Tot
slot
Dit artikel geeft in het kort weer wat glaucoom is en wat de gevolgen
kunnen zijn van te hoge oogdruk. In kort bestek is aangegeven wat daaraan
gedaan kan worden.
Verdere vragen hierover kunt u het best stellen aan uw eigen oogarts.
Met dank aan het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Een pingueculum is een iets verheven gelig plekje op het oogwit, meestal aan de neuskant op halve hoogte. Het bestaat uit een neerslag in het slijmvlies van eiwit en vet. Het bedreigt het zien niet en hoeft bijna nooit behandeld te worden. Behandeling om cosmetische redenen is af te raden omdat het zelden mooier wordt. Er wordt wel eens met vasoconstrictieve oogdruppels behandeld.
In het oog is er glasvocht, een gelei die het oog opvult. Het bevindt zich achter de ooglens en laat ongehinderd de lichtstralen door op het netvlies.
Door veroudering kan in dit glasachtig lichaam verdichtingen ontstaan die schaduwen werpen op het netvlies. Bijzienden hebben hiervoor meer aanleg.
Dit
kan geen kwaad. Indien ze samen gaan met lichtflitsen, dan kan dit wel
duiden op een scheuren van het netvlies. Ook kan bij suikerziekte bloed
in het glasvocht komen. Ook kunnen dergelijke bewegende vlekjes gevolg
zijn van een uveitis (oogonsteking).
Een andere oorzaak is dat het glasvocht plots los komt van het netvlies.
Het glasvocht zich nl. vast aan het netvlies op bepaalde plaatsen. Wanneer
het glasvocht los komt, dan is er glasvochtvertroebeling. Een oogarts
kan uitmaken of die zwevende vliegjes een schadelijke oorzaak hebben
of niet.
Wanneer
het glasvocht krimpt en van het netvlies loskomt dan kunnen er gaatjes
onstaan in het netvlies. Dit uit zich als kleine vlekjes in het gezichtsveld.
Zo'n gaatje kan het begin zijn van een netvliesloslating. Het loslaten
van het glasvocht kan samen gaan met lichtflitsten, net of een TL-lamp
steeds aan en uitgaat. Soms gaat dit vanzelf over. Als de lichtflitsen
aanhouden, samen met veel zwarte vlekjes, dan is onmiddellijk onderzoek
noodzakelijk door de oogarts. Een laserbehandeling kan netvliesloslating
voorkomen.
In het oog is er glasvocht, een gelei die het oog opvult. Het bevindt zich achter de ooglens en laat ongehinderd de lichtstralen door op het netvlies.
Door veroudering kan in dit glasachtig lichaam verdichtingen ontstaan die schaduwen werpen op het netvlies. Bijzienden hebben hiervoor meer aanleg.
Dit
kan geen kwaad. Indien ze samen gaan met lichtflitsen, dan kan dit wel
duiden op een scheuren van het netvlies. Ook kan bij suikerziekte bloed
in het glasvocht komen. Ook kunnen dergelijke bewegende vlekjes gevolg
zijn van een uveitis (oogonsteking).
Een andere oorzaak is dat het glasvocht plots los komt van het netvlies.
Het glasvocht zich nl. vast aan het netvlies op bepaalde plaatsen. Wanneer
het glasvocht los komt, dan is er glasvochtvertroebeling. Een oogarts
kan uitmaken of die zwevende vliegjes een schadelijke oorzaak hebben
of niet.
Wanneer
het glasvocht krimpt en van het netvlies loskomt dan kunnen er gaatjes
onstaan in het netvlies. Dit uit zich als kleine vlekjes in het gezichtsveld.
Zo'n gaatje kan het begin zijn van een netvliesloslating. Het loslaten
van het glasvocht kan samen gaan met lichtflitsten, net of een TL-lamp
steeds aan en uitgaat. Soms gaat dit vanzelf over. Als de lichtflitsen
aanhouden, samen met veel zwarte vlekjes, dan is onmiddellijk onderzoek
noodzakelijk door de oogarts. Een laserbehandeling kan netvliesloslating
voorkomen.
Zijn
bedrijf Crazz Optics had Bram al voordat hij een prijs won bij de Postcode
Loterij. Bram rijdt naar zorgcentra en particulieren in de regio. Hij
heeft een oogmeetprogramma op zijn laptop, een apparaat om glazen te
meten en ruim honderd verschillende monturen. Een opticien aan huis
dus. Lees
verder >>>
Terug naar boven
Oprichter Bram Bogers bezoekt mensen die woonachtig zijn in zorgcentra, of door omstandigheden geen optiekzaak kunnen bezoeken. Een bevriende ondernemer, Joris Jansen van de website See You Dance, bracht Bogers op het idee om het Tilburgse Ronald McDonald Huis te steunen. Lees verder >>>